Soms heb ik dagen waarop alles pijn doet, niet alleen mijn lichaam, maar ook mijn hart. De angst hangt soms zo dicht om me heen dat verdriet zwaarder voelt dan anders. Zo’n dag waarop ik verlang naar iets vertrouwds. Naar iemand die mijn vroeger wist te troosten zonder woorden, waardoor de wereld meteen iets minder ingewikkeld leek.
Mijn moeder.
Het gaat niet alleen om wat ze zei, maar om het gevoel dat bij haar hoorde. Het geborgen gevoel van tegen haar aan liggen terwijl ze zachtjes door mijn haren kroelde.
Mijn man doet dat ook weleens. Hetzelfde kleine gebaar roept nog altijd dat gevoel op. Ik werd een keer wakker terwijl hij door mijn haar streek. Heel even wist ik niet waar ik was. Heel even dacht ik dat ik weer tegen mijn moeder aan lag.
Wanneer ik aan haar denk, kom ik vaak uit bij de kleine dingen.
Toen ik klein was, plukte ik vaak veldbloemen voor haar. Meestal bloemen uit de wei of de berm naast een landweggetje. En vaak zaten er korenbloemen tussen. Hemelsblauwe bloemen tussen het groen en goud van de velden. Ik gaf ze aan haar met de vanzelfsprekendheid waarmee kinderen liefde geven, en zij ontving ze met de vanzelfsprekendheid waarmee moeders liefde ontvangen.
Sinds haar overlijden gebeurt er iets bijzonders. Elke keer wanneer ik haar nodig heb, verschijnt er ergens een korenbloem. Niet op plekken waar je ze verwacht, juist niet. In het ziekenhuis, waar ik bang was. Op televisie tijdens een moment van verdriet. Bij de drogist terwijl ik ergens over piekerde. En telkens voelt het alsof ze even zachtjes op mijn schouder tikt en zegt... ik ben er nog.
Misschien klinkt dit vreemd en misschien is het toeval. Maar wie iemand intens heeft liefgehad, weet dat liefde haar eigen taal spreekt. En voor mij spreekt die taal al sinds haar overlijden in de vorm van korenbloemen.
In het begin na haar overlijden vond ik haar ook in mijn dromen. Tot die laatste droom, daarna bleef het stil.
Eleonora Spreeuwenberg 10 april 1948 - 27 februari 2023
Je stond in mijn portaal, wachtend, met een glimlach.
“Wacht mam… ik trek mijn wandelschoenen aan.”
Maar toen ik opkeek, was je verdwenen. Alleen het licht dat je achterliet lag nog op mijn pad.
In mijn laatste droom over jou droeg je geen wandelschoenen, geen jeans, geen trui. Wat was het? Zijde, of wit fluweel?
Het viel om je heen, glanzend en licht, zonder een enkele plooi.
Ik liep naast je door een grote, heldere zaal.
Ik zag rijen tafels, elk met hetzelfde kleedje, keurig gevouwen.
Jij wees de mijne aan.
Ik tilde het voorzichtig op en voelde een geluk zoals ik dat nooit eerder had gekend.
Een gevoel dat ik wilde vangen, en nooit meer wilde loslaten.
Maar het verlangen brak mijn droom, en sindsdien kom je niet meer langs.
Met mijn ontwaken vervloog het geluk van jouw bestaan.
Toch ben je nooit verdwenen.
Je leeft in al mijn herinneringen. Je geeft me kracht en moed met de taal van korenbloemen die blijft bestaan.
En het witte kleedje?
Het wacht op mij.
Zoals ik voel dat jij op mij wacht.